Definities en begrippen

In de onderliggende items worden een aantal begrippen gedefinieerd die gehanteerd worden bij de beschrijving van de specifieke waarderingsregels.

Omhoog
Nominale waarde

Nominale waarde verwijst naar de in een munteenheid uitgedrukte initiële waarde, zonder rekening te houden met inflatie of andere factoren in rekening te brengen.

Inbrengwaarde

De inbrengwaarde is de bedongen waarde van de goederen die worden overgedragen aan de entiteit.

De inbrengwaarde mag niet hoger zijn dan de prijs die op het ogenblik van de inbreng of de bestemming voor de aankoop van de betrokken goederen op de markt zou moeten worden betaald.

Marktwaarde

De marktwaarde van een product is de prijs waartegen het verhandeld zou worden in een actieve markt.

Heropbouwwaarde

De heropbouwwaarde is het bedrag dat nodig is om een actief opnieuw te bouwen op dezelfde locatie en met dezelfde bestemming.

Aanschaffingswaarde

Elk actief bestanddeel wordt bij verwerving gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde.

Onder de aanschaffingswaarde wordt verstaan:

  • de aanschaffingsprijs;
  • de vervaardigingsprijs;
  • de inbrengwaarde;
  • de nominale waarde;
  • de heropbouwwaarde;
  • de schenkingswaarde.

De aanschaffingsprijs is gelijk aan de aankoopprijs of ruilwaarde vermeerderd met de bijkomende kosten, zoals onder meer de niet-terugbetaalbare belastingen, de vervoer- en
installatiekosten.

Onderliggende bijkomende kosten worden niet opgenomen in de aanschaffingswaarde, maar worden onmiddellijk opgenomen in de resultatenrekening:

  • boetes;
  • nalatigheidsintresten.

Aan de tegenpartij opgelegde boetes met betrekking tot de verwerving van investeringsprojecten (bv. boete voor laattijdige oplevering) dienen als niet-recurrente
opbrengst opgenomen te worden in de resultatenrekening. Desbetreffende boetes mogen dus niet in mindering gebracht worden van de aanschaffingswaarde.

De vervaardigingsprijs omvat naast de aanschaffingskosten van de grondstoffen, de verbruiksgoederen en hulpstoffen ook de productiekosten die rechtstreeks aan het individuele product of de productgroep toerekenbaar zijn. Het bevat ook het evenredig deel van de productiekosten die slechts onrechtstreeks aan het individuele product of aan de productengroep toerekenbaar zijn, voor zover deze kosten op de normale productieperiode betrekking hebben.

Goederen verworven ten kosteloze titel worden bij verwerving gewaardeerd aan de uitgaande boekwaarde bij de afstanddoende entiteit en bij ontstentenis daarvan tegen
“werkelijke waarde”, zijnde het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een verplichting kan worden afgewikkeld tussen ter zake goed geïnformeerde, onafhankelijke partijen die uit vrije wil een transactie afsluiten.

Onder goederen verworven ten kosteloze titel wordt onder meer het volgende begrepen:

  • schenkingen;
  • of erfenissen.
Transacties in vreemde valuta

Monetaire en niet-monetaire posten

Monetaire posten betreffen de liquide middelen alsmede de posten die betrekking hebben op een bepaalde hoeveelheid te innen of te betalen munteenheden. De overige
vermogensbestanddelen zijn niet-monetaire posten (bijvoorbeeld voorraden, onroerende goederen, deelnemingen, …).

Deviezenverrichting

Elke verrichting waardoor een in deviezen uitgedrukte monetaire post ontstaat, toeneemt, vermindert of wordt terugbetaald.

Omrekeningskoers

De koers waartegen deviezenverrichtingen of monetaire posten in deviezen naar euro worden omgerekend.

Slotkoers

De contantwisselkoers op balansdatum.

De wisselkoers die als omrekeningskoers wordt toegepast, is de koers van de voorafgaande werkdag van de verrichting (de dag voorgaand aan de dag waarop de hieruit resulterende vordering of schuld in vreemde valuta is ontstaan).

Bestaan er aan het einde van het boekjaar nog tegoeden en/of verplichtingen in deviezen (monetaire posten), dan worden deze tegoeden en verplichtingen omgerekend tegen de
slotkoers. Niet-monetaire activa en verplichtingen worden niet omgerekend tegen slotkoers en blijven gewaardeerd tegen de koers van de voorafgaande werkdag van de verrichting. De omrekeningsverschillen worden uitgesteld onder voorbehoud van het voorzichtigheidsbeginsel inzake latente kosten.

Gerealiseerde winsten en verliezen die voortvloeien uit transacties in vreemde valuta en uit de omrekening van monetaire activa en verplichtingen in vreemde valuta, worden in de resultatenrekening opgenomen.

Investering versus exploitatie

Voor de bepaling of een aangekocht(e) goed/dienst beschouwd mag worden als een investering, wordt er gewerkt met een grensbedrag. Voor de rechtspersoon Vlaamse
Gemeenschap is dit grensbedrag vastgelegd op 5.000 euro exclusief btw (eenheidsprijs/prijs per stuk). Voor de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid is dit grensbedrag vastgelegd op maximum 5.000 euro exclusief btw (eenheidsprijs/prijs per stuk).

Dit grensbedrag is niet van toepassing op financiële vaste activa, gebouwen en terreinen.

Uitgaven kunnen enkel en alleen als een onderdeel van een vast actief opgenomen worden indien deze uitgaven de capaciteit van het vast actief uitbreiden of de verwachte resterende levensduur van het vast actief verlengen.

Uitgaven van regelmatig onderhoud en herstelling van een vast actief worden niet geactiveerd. Deze kosten zijn immers erop gericht om toe te laten het actief onder normale
omstandigheden verder te kunnen gebruiken. Deze uitgaven worden in de resultatenrekening opgenomen, wanneer de prestatie wordt geleverd.

Economische eenheid

Elke prestatie (levering of dienst) moet als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd.
Dit geldt ook voor de afzonderlijke prestaties die onderdeel uitmaken van één factuur. Indien deze prestaties één samengestelde prestatie vormen, dienen deze niet uitgesplitst te worden. Van een samengestelde prestatie is sprake:

  • als de onderdelen van de prestatie zeer nauw met elkaar verbonden zijn en die onderdelen afzonderlijk niet het vereiste praktische nut hebben;
  • of als een dienst voor de afnemer geen doel op zich is, maar een middel is om de hoofddienst van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken.

Enkel soortgelijke investeringsgoederen die op één inkomende factuur vermeld staan kunnen, in afwijking op de regel, als één eenheid worden beschouwd indien ze een
onderdeel vormen binnen een bepaalde functionele opstelling of ‘en bloc’ onderling technisch noodzakelijk zijn voor een normale werking. Een aandachtspunt hierbij is wel dat de
aansluiting tussen de boekhoudkundige en de fysieke inventaris wordt bemoeilijkt.